De Panathenaeïsche weg of Dromos (Baan) was de belangrijkste weg in het oude Athene. De weg liep over ruim een kilometer omhoog vanaf de Dipylonpoort naar de Akropolis. Halverwege liep de weg diagonaal over de Agora.
Er is een moment geweest dat De Panathenaeïsch geen enkele onderhoud meer genoot. Niemand meer langs die weg omhoog vanaf de Dipylonpoort naar de Akropolis reed – liep. Net als dat ik op een gegeven moment zelden langs het kopje van Bloemendaal fietste – vloog. Ik er niets meer had te zoeken.
Er zijn veel wegen die naar Rome leiden, maar dat is in deze tijd totaal onbelangrijk. Ooit was Rome een begrip, Nu is het een leuke schooltrip. Die van Teun. Hoewel ik heb begrepen dat het Napels wordt. Ooit was Bloemendaal dat ook. Een begrip. Bo iets dat trok aan mij – ondanks woorden – discussies. Ik kon het haar wel kwalijk nemen. Haar smaak – haar keuze in muziek. Het was zelden een reden niet met haar te vrijen.
Het was ook wel eens de rede. “Zullen we het weg vrijen.”, zei Bo. Terwijl ik mopperend mijn punt wilde maken. “Nee”, zei ik. “Nee, hoezo nee?”, vroeg ze. “Nee ik ga niet vrijen. Niet voordat je toegeeft dat ik gelijk heb.”, zei ik. Bo grinnikte: “Ja doei, zo geweldig ben je ook weer niet in bed.”, zei ze. Ik wist wel dat zij altijd de langste adem had. Helemaal als het ging om vrijen. Mannen verliezen dat.
Ik begon wat te schrijven in mijn schrift. “Wat schrijf je op?”, vroeg ze. “Dat je niet gelijk hebt.”, snauwde ik. “Lekker belangrijk.”, snauwde ze terug. “Ik vind het wel belangrijk.”, zei ik. “Als je goede argumenten hebt, moet gelijk krijgen. Zou je iemand gelijk moeten geven”, zei ik. “Jij bent zo naïef.”, zei ze. Het irriteerde mij.
“Welja, laten we die er weer eens in gooien.”, zei ik, stond van het bed op en ging aan haar bureau zitten. Mijn schift lag nu slecht centimeters verwijderd van een dikke stapel brieven. Brieven geschreven aan haar moeder. Ongeopend en door niemand ooit gelezen. Daar lag alles wat ik wilde weten. Waar we altijd een discussie over hadden.
Bo zat nooit iets dwars – daar stapte ze altijd overheen. Bo zei nooit wat haar dwars zat – dat wilde ze niet zeggen. Ik zei altijd dat wat mij dwars zat. Wilde er zijn voor haar. Voor dat, maar dat was nooit een goed idee zei ze. Ik had haar die nacht iets horen zeggen in haar slaap. Ik wist het niet meer te benoemen, maar was er wel van wakker geschrokken.
Er was wel een woord dat ik had gehoord. Het was het woord “Mama”, Bo geloofde er niets van. “Dat heb je verzonnen.”, zei ze. “Waarom zou ik dat verzinnen?”, zei ik. “Jij wil het altijd daar over hebben.”, zei ze. “Zoekt altijd een weg naar dat onderwerp.” Misschien had ze wel gelijk. “Het is toch niet erg – je hoeft er ook niets mee.”, zei ik. “Precies”, zei ze.
Weet je de weg? Mag ik die tonen. Naar mijn hart. Die dromen. Die van mij over jou. Die van jou over iets anders. Als je eerlijk blijft. Je het allemaal deelt. Als je wilt. Langzaam omhoog. Snel naar beneden. Als ik je vasthou. Je tegenhou. Je duw. Je aan mij trekt. Onderweg naar de Akropolis. Voor een offer.
“Zullen de rest van dit gesprek toch maar weg vrijen?”, zei ze nog een keer. Een tweede afwijzing was absoluut een rede mij de weg naar huis te wijzen. Ik had geen zin om naar huis te gaan. Ik had altijd zin om te vrijen. “Oké”, zei ik. Want ik had ruggengraat.
Dat had ik altijd.
